NMvW



Zoekresultaat





1 treffers gevonden | ga naar nr.  

Centraal Nieuw-Guinea Expeditie (1939-1940)

1939-1940




Het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG) heeft in Nieuw-Guinea slechts een drietal expedities georganiseerd maar die werden dan ook wel groots opgezet. De eerste KNAG expeditie in Nieuw-Guinea was die naar Zuid-West Nieuw-Guinea in 1904/05. De tweede vond plaats in 1939 en heette officieel “De Expeditie van het KNAG naar het Wisselmerengebied en het Nassau-gebergte op Nederlands Nieuw-Guinea in 1939” maar is beter bekend als de “Le Roux expeditie”. De laatste en tegelijk duurste, volgde in 1959/60 naar het Sterrengebergte.

Voor de tweede KNAG expeditie uit 1939 werd reeds jaren te voren een voorbereidingscommissie in het leven geroepen. Ook C.C.F.M. Le Roux, als conservator bij het Museum voor Volkenkunde in Leiden werkzaam, werd bij de organisatie betrokken. Hij was de aangewezen persoon hiervoor aangezien hij al eens in 1926 een expeditie naar de binnenlanden van Nieuw-Guinea had meegemaakt. Hij had daarin aandacht besteed aan de etnologie van vooral de Papoea-bevolking in het centrale bergland en was bedreven in het in kaart brengen van gebieden, zijn eigenlijke vak. Dat, op initiatief van Le Roux, voor deze expeditie het centrale bergland werd gekozen was niet verwonderlijk. In 1936 waren de Wisselmeren ‘ontdekt’ door de NNGPM piloot Frits Wissel, even voor zijn roemrijke beklimming van het Carstenszgebergte samen met Colijn en Dozy. Het gebied lag klaar voor openlegging en onderzoek. Daarnaast kon het onderzoek van Le Roux in 1926, gedaan tijdens de z.g. Stirlingexpeditie, goed van pas komen om aansluiting te krijgen tussen de nog onbekende gebieden van de Wisselmeren, uitgangspunt van de expeditie in 1939, en de bovenloop van de Rouffaer-rivier, doel van de Stirlingexpeditie in 1926. Het is daarom ook niet verwonderlijk dat Le Roux werd gevraagd de algehele leiding van de expeditie op zich te nemen.

In april 1939 vertrok Le Roux naar Batavia om in de maanden mei en juni de organisatie te starten. Hij kreeg daarbij alle medewerking van zowel de regering als het leger. Uitvalsbasis was de Etnabaai in Zuid Nieuw-Guinea. Hij kreeg van de Marineluchtvaartdienst de beschikking over een tweetal Fokker T IV watervliegtuigen - plus één in reserve - met bemanning voor personen- en goederentransporten van de Etnabaai naar het Paniaimeer (één van de grootste van de Wisselmeren), het droppen van voedsel tijdens de verschillende patrouilles en het maken van luchtfoto’s voor terreinverkenningen in het gebied van het Nassaugebergte.

De wetenschappelijke staf van de expeditie bestond uit C.C.F.M. Le Roux, leider, etnoloog en topograaf; Prof. Dr. H. Boschma, zoöloog; Dr. D. Brouwer, antropoloog, tevens arts van de expeditie; Dr. R. IJzerman, geoloog; Dr. J.P. Eyma, botanicus. M.J.M. Hagdorn, Moh. Saleh en H.J. Hoeka hielden zich bezig met astronomische plaatsbepalingen en topografische opnamen. W.M.F. Timmermans fungeerde als fotograaf voor de luchtopnamen en was deelnemer aan de Oost-patrouille.
Het detachement veldpolitie stond onder leiding van R.R. van Ravenswaay Claasen.

Eind juni waren praktisch alle deelnemers met gouvernementsvaartuigen in de Etnabaai gearriveerd en op 1 juli kon het vliegtransport naar het merengebied beginnen. De klus van het opvoeren van personen en goederen was in bijna drie weken geklaard. Het basiskamp werd ingericht in Enarotali, de nieuwe bestuurspost aan het Paniaimeer, geleid door de bestuursambtenaar Dr. J.V. de Bruyn. Van daaruit werden de verschillende tochten in de omgeving georganiseerd, alsook een west-patrouille naar aanknopingspunten van het Weyland- en Charles Louisgebergte en een lange oost-patrouille op zoek naar aansluitingen met de bovenloop van de Rouffaer-rivier waar Le Roux tijdens de Stirlingexpeditie in 1926 was gestopt. Af en toe kwam pater Tillemans langs die het gebied goed kende en diverse patrouilles vergezelde. Terwijl alle wetenschappers uitvlogen naar hun diverse projecten bleef Le Roux vooralsnog in het basiskamp wachten op de laatste deelnemer, de zoöloog Bosschma met zijn medewerkers, die op 20 augustus zou arriveren. Hij hield zich bezig met de hele organisatie maar deed ook etnologisch werk en verzameld etnografica.

Dr. Brouwer deed in augustus antropologische onderzoekingen in het gebied ten westen van het Tigimeer. Hij kwam aan het einde van die maand terug met het resultaat van meer dan 600 antropologische metingen. Dr. IJzerman deed samen met Dr. Eyma geologisch en botanisch onderzoek, aanvankelijk in de omgeving van het Paniaimeer maar ze vertrokken later op een langere missie naar het westen. Het gebied ten westen van het Paniaimeer werd onderzocht tot aan het Weyland- en Charles Louisgebergte. Ze keerden echter eind augustus vroegtijdig terug omdat Le Roux in september zich geheel wilde concentreren op de Oost-patrouille, waarbij hij iedereen nodig had.

In augustus werden de beschikbare vliegtuigen, normaal gesproken ingezet voor de aanvoer, ook gebruikt voor om het hele expeditieterrein te verkennen en in kaart te brengen. Meer dan 160 negatieven werden door fotograaf Timmermans vanuit het vliegtuig genomen. De films werden in Enarotali ontwikkeld en afgedrukt en eind augustus was men druk bezig de foto’s aan elkaar te lassen tot lange panorama’s om zo het traject van het expeditieterrein af te kunnen bakenen, vooral in de richting van het oosten, dat voor de komende periode op het programma stond. De negatieven maken nog steeds deel uit van de collectie van het Tropenmuseum evenals de serie samengestelde panoramafoto’s, gebundeld in een groot KNAG album. Ook Le Roux maakte één van de verkenningsvluchten mee bij schitterend weer en keerde enthousiast naar de basis terug. Het was dan ook een teleurstelling toen Le Roux vernam dat door een toenemende wereldwijde oorlogsdreiging de vliegtuigen per 1 september naar Soerabaja werden teruggeroepen. Door diezelfde oorlogsdreiging moest ook de geoloog van de expeditie Dr. IJzerman afhaken en naar Nederland terugkeren.

In augustus waren reeds voorbereidingen getroffen voor de grote Oost-patrouille. Het detachement veldpolitie maakte de weg vrij in de belangrijke Araboe-rivier en een hoofdbasis werd gevestigd in het Araboe-bivak. Op 7 september vertrokken Brouwer, Hagdorn, Timmermans en Le Roux naar deze hoofdbasis. De bioloog Eyma en topograaf Hoeka zijn dan reeds vertrokken naar de noordwesthoek van het Paniaimeer om daar te werken maar zouden zich later vervoegen in het Araboebivak. Alleen Bosschma bleef in de bestuurspost achter om daar in de buurt te verzamelen.
De route van de Oost-patrouille liep via de Araboe-rivier, over een bergzadel naar de Kemaboe-rivier en vandaar over een pas naar de Da Delo-rivier. Deze rivier is één van de bronrivieren van de Rouffaer-rivier die zelf weer uitmondt in de Mamberamo-rivier. Met het bereiken van de Da Delo-rivier was voor Le Roux aansluiting verkregen met het gebied van de Boven-Rouffaer-rivier, in kaart gebracht tijdens de Stirling Expeditie in 1926.

Het gebied was bergachtig met hoogten tot 3000 meter, en dalen doorsneden door belangrijke rivieren die hier ontspringen en in diverse richtingen lopen, zowel naar de noordkust, de zuidkust als de Geelvinkbaai.
Het was een dichtbevolkt gebied met veel dorpen. De Papoea’s in het Araboe-dal waren vooral van de Erkari stam; in het Kemaboedal woonden de Moni; verder naar het oosten woonden voornamelijk Dani. Er was onderling geregeld contact tussen de verschillende stammen maar ook rivaliteit en werden er soms twisten uitgevochten.
Dr. Brouwer was in staat veel antropologische metingen te doen. Le Roux hield zich bezig met de coördinatie van het in kaart brengen van het gebied en gaf Hagdorn en topograaf Saleh diverse opdrachten om bergen en hoogten te beklimmen en daar astronomische en topografische metingen te verrichten. Ook bezocht hij zo mogelijk de Papoea-bevolking om woordenlijsten te maken en etnografica te verzamelen.

Door het ontbreken van de vliegtuigen was de expeditie nu weer zeer afhankelijk van de transporten vanuit het basiskamp over rivieren en bergen, met de nodige problemen. De opvoer stagneerde herhaaldelijk en Hagdorn werd er op uitgestuurd om het transport van mensen en goederen te herstellen en weer naar behoren te laten functioneren hetgeen hem inderdaad lukte. Niet lang daarna kreeg Le Roux het bericht dat Hagdorn per 1 november in Soerabaja werd verwacht. Le Roux realiseerde zich dat haast was geboden de expeditie tot een goed einde te brengen. Hij reisde op 16 oktober terug naar Enarotali om verlenging aan te vragen. Hij had Hagdorn hard nodig voor de metingen in het gebied. Gelukkig mocht Hagdorn tot het einde van de expeditie blijven maar eenmaal terug in Enarotali ging Le Roux niet meer terug. Hij heeft Hagdorn en Saleh genoeg opdrachten gegeven verdere metingen te doen in het oostelijke gebied.

Eén voor één keerden de expeditieleden begin november terug naar de hoofdplaats aan het Paniaimeer. De botanische- en zoölogische verzamelingen en de etnografica moesten nu worden ingepakt en geregistreerd. Gelukkig kreeg Le Roux voor het transport van de verzamelingen naar de basis in de Etnabaai voor korte tijd weer de beschikking over de twee vliegtuigen die in enkele vluchten de verzamelingen overgebrachten. Ook Bosschma ging met het vliegtuig mee terug om rond de Etnabaai nog onderzoekingen te doen en te verzamelen. Onder leiding van Hagdorn keerde een deel van de expeditie terug via het dal van de Mapia-rivier om onderweg nog wat metingen te doen in aansluiting op de onderbroken West-Patrouille.
Le Roux keerde terug via de normale route langs de Jawej-rivier. De deelnemers van beide retourgroepen ontmoetten elkaar op 28 november in Oeta waar een schip wachtte om hen via de Etnabaai terug te varen naar Java.


Literatuur:

C.C.F.M. Le Roux, De Expeditie van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap naar het Wisselmerengebied en het Nassau-gebergte op Nederlandsch Nieuw-Guinea in 1939. Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap, Deel LVI, 5 – september 1939 pag. 661 t/m 679; Deel LVI, 6 – november 1939 pag. 766 t/m 792; Deel LVII, 1 – Januari 1940 pag. 38 t/m 55; Deel LVII, 2 – Maart 1940 pag. 175 t/m 232. Leiden, E.J. Brill 1939 en 1940.

Centraal Nieuw-Guinea in: Arnold Wentholt, In kaart gebracht met kapmes en kompas, met het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap op expeditie tussen 1873 en 1960. ABP/KNAG, 2003 pag. 95 t/m 103

C.C.F.M. Le Roux, De Bergpapoea’s van Nieuw-Guinea en hun woongebied. Leiden, E.J. Brill 1948. (lees online)

Steven Vink
12 januari 2009



duurzame link naar dit object  


   

NMvW